De Marokkaanse lamp voor tante Cis

Ik nam het voorbij flitsende Spaanse landschap tevreden in me op. Nog een paar dagen en dan zouden we weer terug zijn in Nederland. Met onze Marokkaanse lampen. Terwijl ons trouwe volkswagentje de kilometers verslond keek ik nog eens naar de vijf lampen die we op de achterbank hadden gestationeerd. Otto zat achter het stuur en leek diep in gedachten verzonken. Het waren mooie dagen geweest. Een korte vakantie in Marokko en wat haast nog beter was, we hadden daar, op een markt in Casablanca, die prachtige, oude Marokkaanse lampen voor een prikje op de kop getikt.

Prachtige handgemaakte lampen met gekleurde glaasjes. En haast voor niks. Eentje was er voor Tante Cis, maar de andere vier konden we voor een zacht prijsje mooi verkopen. Kostte de vakantie ook niet zoveel.

“Kijk eens op de kaart,” zei Otto. “Wij zijn vlak bij een raar dorpje waar ik nog nooit van gehoord heb. Marinaleda. Ik heb er eigenlijk geen idee van waar we zijn.”

Ik pakte de kaart uit het handschoenenkastje en vouwde het onhandige geval open.

Marinaleda…Marinaleda… “Misschien is het te klein voor de kaart,” zei ik. “Rij maar gewoon door, dan komt er wel een bord.”

Maar de weg veranderde al snel in een onverharde weg met kuilen en we begonnen ons zorgen te maken. Waren we misschien verdwaald?

De Marokkaanse lampen op de achterbank begonnen behoorlijk te rammelen en sloegen tegen elkaar aan..

“Rustig, Otto. Zo maak je die dingen stuk.”
Maar Otto scheen me niet te horen. Hij keek gespannen voor zich uit en zei opeens: “Wat heb ik nou aan mijn fiets hangen?”

Toen zag ik het ook.

Er stond een politieauto schuin geparkeerd op de weg en een dikke Spaanse agent met een grote, borstelige snor hield zijn hand omhoog, ten teken dat we moesten stoppen.

“Rustig maar,” sprak ik met zalvende stem. “Alles is in orde. We hebben niets verkeerds gedaan.”

Toen we tot stilstand waren gekomen liep de dikke agent op ons af terwijl hij zenuwachtig aan zijn snor plukte.

“Buenas dias señor,” zei hij.

“No abla Español,” sprak Otto gejaagd. “No abla nada.”

Opeens verscheen er een tweede agent van achter de auto vandaan. Een stoere bink in een gespierd lichaam, die vermoedelijk al heel wat boeven achter slot en grendel had gegooid.

“You talk English?” vroeg de stoere bink.

Nou, dat deden we.

“Wegcontrole,” zei hij kortaf in gebroken Engels. “Uitstappen maar.”

De dikke politieman begon ondertussen met een onderzoek en vroeg om onze papieren.

“Wij zijn op weg naar Nederland. Hollanda…” zei Otto een beetje gespannen. “De auto is in goede conditie.”
Dat was waar. Ons volkswagentje was dan wel oud, maar het had net zijn grote beurt achter de rug en alles was piekfijn verzorgd.

Nadat we een kwartiertje stilzwijgend hadden toegekeken, kwam de stoere bink weer op ons af en zei met een barse stem:

“Driehonderd Euro. You pay.”

“Wat? Why…Waarom?”

“You import Marokkaanse lampen. Very bad. You have no papier voor lampen.”

“Maar, eh…ik…”

De dikke politie kwam er bij staan en keek mij dreigend aan terwijl hij met zijn handen over zijn knuppel streelde.

“Driehonderd Euro. You betaal, or you in jail,” sprak hij fijntjes.

De dikke politieman stootte zijn collega aan en fluisterde iets in zijn oor.

Op het gezicht van de stoere politieman verscheen een grijns. Hij had klaarblijkelijk een idee.

Maar Otto en ik keken elkaar verslagen aan. Wat moesten we nou? De dikke politieman hief zijn vinger, keek ons triomfantelijk aan en zei toen: “Or you geef lamps…”

“Yes,” beaamde de stoere. “Lamps is good.”

“Ze willen onze Marokkaanse filigrain lampen hebben.” Opeens drong het tot me door.

“No, no… Lamp is for Tante Cis,” zei ik opgewonden.

“En for us,” vulde Otto aan.

“You jail, or drie honderd Euro… or you geef lamps.”

Ik keek radeloos om me heen, maar zag niets anders dan droge hellingen en een uitgestrekte vlakte. Hier stonden we, verdwaald in een of ander Spaans gat en oog in oog met twee politiemannen die het op onze lampen gemunt hadden.

“Wat moeten we doen?” vroeg Otto.

“Geef ze die lampen maar,” zei ik verslagen. “Dan zijn we tenminste van ze af en kunnen we weer verder.”

Even later lagen de vijf lampen potsierlijk op de achterbank van de politieauto en keken de twee mannen ons gemoedelijk en tevreden aan.

“You know the way to Madrid?” vroeg ik aan de dikke, terwijl ik mijn woede probeerde te bedwingen.

“Madrid? Yes, yes… That way,” antwoordde hij terwijl hij met zijn vette vinger in de juiste richting wees.

Toen startten ze hun auto en lieten ons verslagen achter in een wolk Spaans stof.

“Misschien kunnen we voor Tante Cis een lampje in de Ikea halen,” suggereerde ik gedeprimeerd.

“Ja… misschien wel,” antwoordde Otto, terwijl we onze reis weer voortzetten. “Dan maar een lampje van de Ikea.”